Redt het zwemvest!

Een zonovergoten vakantie aan het water met stralend blauwe luchten en heerlijk zwemmen in diepe, heldere meren. Kamperen op een rustige camping op een mooi stukje groen en ‘s-avonds koken op een eenvoudig butagasstelletje. Dat was het plan van mijn ouders toen wij aankwamen bij een van de pittoreske meren in het noorden van Italië. Ze wilden mij en mijn broer de wereld laten zien en Italië was een prima plaats om onze geografische opvoeding te beginnen.

Dat was meer dan vijftig jaar geleden. Ik was toen vijf en kon nog niet zwemmen. Maar dat was geen probleem, want moeder had bij het toenmalige Sporthuis Centrum het beste zwemvest voor me gekocht dat er op de markt te krijgen was. Niet zo’n opblaasbaar ding, dat meteen leeg zou lopen als mijn broer er tijdens de wateractiviteiten per ongeluk zijn tanden in zou zetten, maar een professioneel, oranje zwemvest dat bijna net zo zwaar was als ikzelf en dat met grote betrouwbare banden stevig om mijn frêle lichaam kon worden geklonken.

Dat ding kostte nogal wat.

“Een rib uit mijn lijf,” zei vader boos toen hij de rekening zag.

Maar daar was moeder het niet mee eens. “Hans, kamperen kost geld.”

Er werd me ook nog een snorkel op het hoofd gedrukt en het feest kon beginnen.

Zo uitgedost werd ik onder het toeziend oog van vette, groene smaragdhagedissen, die lui op de brokkelige muurtjes in de zon langs het water lagen te roosteren, bepakt en bezakt het frisse water van het Comomeer ingestuurd.

Ik haatte dat zwemvest. Het was koud en plakkerig en ontnam me alle bewegingsvrijheid. En terwijl ik aarzelend over de zanderige bodem van het meer naar het diepe schuifelde en het zwemvest me uit alle macht omhoog probeerde te duwen, besloot ik dat het absoluut noodzakelijk was om te leren zwemmen. En wel direct.
Moeder suggereerde nog enthousiast vanaf de kant dat ik veel weg had van mijn grote held Ivanhoe, een ridder zonder vrees of blaam, die in die tijd Nederland veroverde met zijn heldendaden op de zwart-wit televisie. Maar terwijl ik afzakte naar de onbekende diepten van het Comomeer voelde ik me meer zoals Pipo de Clown en verlangde ik naar de dag dat deze ellende voorbij zou zijn.

Kamperen aan het Como meer

En die dag kwam snel.

Twee dagen later had Moeder een bootje gehuurd. Een ‘pedalos’ heette dat. Dat was zo’n boot met trappers, net als bij een fiets en zo konden we rustig de diepste en onbekendste plekjes van het Comomeer bezoeken.
“Mamma…mag ik mijn zwemvest af?” Moeder keek bedenkelijk. Het Comomeer is op sommige plaatsen zo’n 400 meter diep. Maar toen moeder naar mijn pruilmondje keek, besloot ze dat ik mijn kouwe harnas af mocht doen. Ivanhoe had tenslotte ook niet altijd zijn harnas aan en we gingen maar zo’n 10 meter per uur.

Wat voelde dat fijn. De wind kietelde mijn blote bast en voor het eerst kon ik echt genieten van dat mooie meer. Wat een vrijheid.

Maar al snel ging het mis. Mijn broer mocht aan de trappers en ofschoon hij pas negen jaar was, was hij toen al een wetenschapper, en wetenschappers onderzoeken alles.

“Mamma…wat gebeurt er als wij met volle kracht tegen die boei aanvaren daar midden op het water?”
“Niks, jongen.”
“O.”

Maar zoals het een goede wetenschapper betaamt, moest mijn broer alles staven en dus begon hij als een razende roeland te trappen. Al snel schoten we door het water. Elf meter per uur, twaalf meter per uur.

Mijn haren wapperden in de wind. Dit was opwindend. En daar was de boei.

Nog voor mijn moeder kon ingrijpen ramde mijn broer het gevaarte en werd ik samen met mijn harnas het Comomeer ingeslingerd.

Moeder verstijfde.

Ze werd bleek en gilde het uit. Stel je voor…dat zwemvest had wel vijftig gulden gekost. Dat mocht in geen geval verloren gaan. Wat zou vader wel niet zeggen en hoe kon zoonlief nu genieten van een vakantie zonder zwemvest?

En toen sprak ze de legendarische woorden die in onze familie zouden uitgroeien tot een spreekwoord: “Redt het zwemvest! Redt het zwemvest. In de naam des Heren, redt het zwemvest.”

Het zwemvest? Maar dat kon toch drijven? Maar iemand in paniek denkt niet rationeel en mijn arme moeder, begaan met het plezier van haar zoon, was er van overtuigd dat mijn vakantie geen enkele waarde zou hebben zonder mijn oranje wapenuitrusting.

En ik? Ik genoot van de vrijheid in dat heerlijke water. Ik spartelde rond als een hondje en bleek mijzelf prima boven water te kunnen houden. Tenslotte redde ik zelf dat zwemvest maar en klauterde ik na enige minuten tevreden weer op de Pedalos.

Moeder stamelde verbouwereerd: “Maar eh…je kunt zwemmen?”

Vanaf die dag begon de vakantie pas echt. Kamperen aan een Italiaans meer…krek dat is ‘t. En dat zwemvest? Vader probeerde het nog te slijten via een advertentie bij de winkel van de Gruyter op de hoek van de straat. Die bestond toen nog, maar niemand wilde dat ding hebben.

Laatst zag ik het weer. Moeder was overleden en mijn broer en ik moesten het ouderlijk huis opruimen en opeens had ik dat onding in mijn handen. Mijn broer, inmiddels een gepensioneerde wetenschapper, begon te lachen.

“Weet je het nog? Redt het zwemvest!”

“Neem jij het maar,” zei ik tegen mijn broer. “Je gaat toch kamperen volgende week en Petertje, je kleinzoon, kan wel zo’n ding gebruiken. Scheelt je weer een paar Euro.”

Maar mijn broer schudde zijn hoofd.

“Nee, die kan al zwemmen. Net als jij toen.”